Tijdschrift Generator V

kunst cultuur filosofie en meer……

Het geluk van houthakken – Kees van Kooten over Billy Collins

billycollins

Kees van Kooten over de amerikaanse dichter Billy Collins
Vrijdag 22 oktober 2010 door Ron Rijghard

Voor het boek Zo wordt u gelukkig vertaalde Kees van Kooten 26 gedichten van de Amerikaan Billy Collins en schreef er eigen verhaaltjes bij. „Collins neemt je mee op een reis, met een omweggetje.”
Kees van Kooten/ Billy Collins: Zo wordt u gelukkig. Uitgeverij De Harmonie, 160 pagina’s, € 17,90.
‘Hij maakt me gelukkig.” Kees van Kooten zegt het zonder ironie. De poëzie van Billy Collins tilt hem uit de alledaagse werkelijkheid, voegt hij eraan toe. Zoals lekkere muziek je laat meetikken met de maat, en zoals een mooi schilderij je doet stilstaan in een museum.

Buiten het pand waar we over Collins praten, draait een vrachtwagen luidruchtig stationair, en dus wuift Van Kooten in de richting van het raam: „Zijn poëzie haalt je weg uit het lawaai, weg uit het geschreeuw, weg uit de trivialiteit van het universum. Hij betrapt het bijzondere van het gewone. Hij maakt me blij.”

Zo wordt u gelukkig heet dan ook het boek met vertalingen van 26 gedichten van de Amerikaan Billy Collins van Van Kooten. Maar de schrijver, columnist en gewezen tv-maker wilde het niet laten bij vertalen alleen. Hij wilde zijn geluk delen. Dus schreef hij bij elke gedicht een commentaar of verhaaltje. Over zijn moeder Annie, die in een dichtclubje zat, maar door haar vriendinnen niet au serieux werd genomen omdat haar gedichten te eenvoudig waren. Over roken, jazz, geweren en Hitchcock in Collins’ poëzie. Over het ontbreken van god en seks in zijn werk. En over de problemen bij vertalen, die erom vragen de auteur te kennen als jezelf.

Het is een gul boek, een boek dat genot en plezier wil delen en dat overloopt van liefde voor de taal en de poëzie. Meer kan een buitenlandse dichter niet vragen als hij wordt geïntroduceerd.

Van Kooten ontdekte Collins drie jaar geleden door een gedicht van hem in The New Yorker, vertelt hij. „Ik had wel gelezen over zijn gedicht The names, waarmee hij een jaar na 9/11, in september 2002, als Poet Laureate het Amerikaanse Congres toesprak.” Collins bleek één van de best verkopende dichters van de VS te zijn. „Onbegrijpelijk dat niemand hier hem kent.”

Eerder stelde Van Kooten een succesvolle bloemlezing van humoristische verhalen samen, Mijn plezierbrevier. Zo’n enthousiasmerend boek stond hem nu weer voor ogen. „De opwinding die ik bij het werk van Collins voel, kan ik alleen maar vergelijken met wat er in de jaren zestig met me gebeurde als de mare ging: ‘Er is een nieuw Beatles-nummer!’ Die magie heeft Collins. Ik wil alles van hem hebben en lezen. In de London Review of Books stonden twee nieuwe gedichten. Ik heb ze voor je meegenomen.” In het boek roept hij zichzelf, met zijn ‘opdringerige geestdrift’ tot de orde. „Maar ik vind dat de mensen Billy Collins moeten kennen.”

Wat doet het vuur bij Van Kooten zo hoog oplaaien? Op die vraag volgt een aanstekelijk betoog van een uur, vol zijsprongen en invallen. Collins schrijft zo bedrieglijk eenvoudig en zo geestig en zijn observaties getuigen van zoveel wijsheid en ongeëvenaarde opmerkzaamheid. „Collins heeft een manier van leven gevonden die je ascetisch zou kunnen noemen. Hij is iemand die scherp om zich heen kijkt. Ik las ergens dat hij de Amerikaanse Remco Campert is. Remco vindt dat zelf absoluut niet – hij is lang niet zo dol op Collins als ik ben – maar ik begrijp wel dat het onthechte levensgevoel van Collins aan hem doet denken.”

Iemand die zo helder en toegankelijk dicht, is er hier eigenlijk niet. Aan de hermetische poëzie in Nederland wijdt Van Kooten bitterzoete woorden in zijn boek. „Ik erger me aan critici die zeggen dat bepaalde poëzie te eenvoudig is.”

Zelf had hij te weinig tijd om de klassieke poëzie „echt te leren doorvorsen en waarderen”. Hij geeft Achterberg als voorbeeld. „Ik begrijp de knapte van zijn werk, ik begrijp de grote gooi, ik begrijp het mythische van het leven en de dood, maar ik kom er niet helemaal in. Zo zijn er meer dichters waar ik niet helemaal in kom.”

Bij Collins is dat geen probleem. „Collins zegt zelf: het gaat me niet om de humor, maar met humor trek ik de lezer het gedicht in. Een andere mooie uitspraak van hem is: een gedicht beginnen is net zo wankel en moeilijk als in een kano stappen. Collins neemt je mee op een reis, niet via een rechte lijn, maar met een omweggetje: laten we kijken wat we onderweg tegenkomen.”

Hij wil best moeite doen voor het begrijpen van poëzie, zegt Van Kooten. „Maar bij Collins levert de moeite meer op. Ik wil schaamte voelen bij mezelf.” Om het uit te leggen leest hij het gedichtje van Collins op de achterflap van zijn boek voor: ‘Ik ben blij dat ik de verleiding heb weerstaan,/ als je al van een verleiding kon spreken toen ik jong was,/ om een gedicht te schrijven over een oude man/ die eenzaam zit te eten aan een hoektafeltje bij de Chinees.’ Van Kooten: „Duidelijk, denk je. Maar dan kleurt je kop rood en besef je: hij is nu die oude man, en hij dacht toen dat hij nooit zo zou worden.”

Meesterlijk, vindt zijn vertaler. „Ik ben misschien een te ongeduldige lezer. Maar het is een mooi gevoel: dat ik alle gedichten van Collins denk te begrijpen bij eerste lezing. En dat de betekenis dan toch altijd draait bij nog een keer lezen.”

De humor die Collins biedt, ontbreekt meestal in Nederland, zegt Van Kooten. Hij heeft een opname bij zich van een optreden van Collins in 2005 in de Northern Symphonie Hall, waar de dichter wordt ingeleid door zijn al even droogkomische vriend Bill Murray. „Heb je ooit publiek zo interessant horen lachen? Het is niet meteen schateren, maar het is langzaam begrijpen. Het is poëzie die ze zelf niet hebben gezien in de zaken die Collins waarneemt en benoemt.”

Het hardst wordt gelachen om De geestverschijning, waarin een dode hond terugkomt om zijn baasje de waarheid te zeggen. Hoe belachelijk hij hem vond, met zijn monogram op zijn trui en zijn gazon. ‘Ik ben de hond die jij liet inslapen/ zoals jullie de naald van vergetelheid graag noemen.’ De hond geeft toe dat hij opgewonden was bij het zien van de halsband, ‘maar alleen omdat dit betekende dat ik/ dingen ging ruiken die jij nog nooit had aangeraakt.’ Van Kooten: „Het is waanzinnig geestig. We kennen de pratende hond uit films en strips, maar niet zo. Collins maakt dode dingen levend.”

De bloemlezing uit het werk van Collins is zo breed mogelijk, zegt Van Kooten. „Veel van zijn gedichten gaan over de lezer: beste lezer, wie bent u. Een ander deel suggereert: als je poëzie gaat schrijven, dan zou ik het zo doen. Het derde deel gaat over alles wat zijn wereld is. Collins heeft geen aantoonbaar engagement, ik lees niks over zijn gezinssituatie, de televisie komt nergens voor, alleen de radio staat aan. Op de jazzzender.”

De raad die Collins en passant geeft, neemt zijn vertaler ter harte. „Er is veel wat ik was vergeten en waar hij me weer op wijst.” Zoals? „Het geluk van houthakken. Ik heb te weinig hout gehakt in mijn leven. Maar bij mijn huisje in Frankrijk heb ik genoeg dode bomen. Die gingen wel om, met de kettingzaag en kliefbijl. Maar ik begreep niet hoe mooi de daad was tot ik bij hem Splitting Wood las. Het plezier is bekend, zegt hij, de lezer op achterstand zettend en nieuwsgierig makend. De benen wijd plaatsen, de nerf bekijken, het volmaakte splijten van de helften, die ter aarde vallen ‘als een door het hart geschoten tweeling’. Ik kende het gevoel wel van biljarten, als je weet dat een stoot lukt. Ik hakte haastig, maar hij heeft gemaakt dat ik gelukkig hak. Geconcentreerd.”

De kalme verteltrant en de gelijkmatigheid van Collins’ toon zou je hem ook kunnen verwijten. Maar is gelijkmatigheid niet het hoogst haalbare, countert Van Kooten. „Flaubert heeft toch gezegd dat het geheim van het leven erin zit de veranderingen in je humeur te beperken?” Had hij deze poëzie ook zo goed gevonden als hij twintig was geweest, of was hij toen te onrustig? „Nou”, antwoordt hij, „toen ik twintig was, had ik ook al gevoel voor humor”.

Lof krijgt Collins ook als maker van trefzekere metaforen. Na het gesprek levert Van Kooten er zelf ook één voor zijn pleidooi tegen poëzie als een gesloten burcht voor ingewijden. Buiten aan de gracht bij zijn fiets toont hij hoe hij handig een gevonden kabelslot om zijn stuur en de brugleuning heeft gewikkeld. Het is maar schijn dat zijn fiets aan de ketting ligt. Met een grote grijns haalt hij het slot eraf en gooit het met een breed gebaar de gracht in.

bron: NRC Boeken, door Ron Rijghard

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht is geplaatst op 26 juli 2014 door in Gedicht, Interview.
%d bloggers liken dit: